Kan een democratie zichzelf om zeep helpen?

Geplaatst op: vrijdag 16 juni 2017

Op dinsdag 6 juni hield Bastiaan Rijpkema, universitair docent rechtsfilosofie aan Universiteit Leiden het tweede college in de reeks ‘Democratie zonder rechtsstaat: hoe gevaarlijk is dat?’. Bastiaan ging in op de vraag hoe een democratie zich kan verweren tegen een antidemocratische meerderheid. De moderator van de avond Martijn Polak, raadsheer bij de Hoge Raad, leidde de avond in en verwees naar het boek ‘Weerbare democratie’, dat Bastiaan Rijpkema schreef.

 

Democratieën in gevaar

Rijpkema begint zijn verhaal met een blik over de grenzen: van ver weg naar dichtbij. De ontwikkelingen in de VS, waarin Trump decreten uitvaardigt en door de rechter daarop wordt teruggefloten. En Turkije, waar een democratisch gekozen president zich onwelvallende rechters ontslaat en zich via een referendum een absolute macht laat toe-eigenen.

Maar ook dichterbij in Europa zijn er voorbeelden van aantasting van vrijheden door democratisch gekozen regeringen, zoals in Hongarije waar de persvrijheid ingedamd wordt en in Polen. En ook Nederland kent de PVV, die de vrijheid van godsdienst wil inperken. Dit zijn allemaal voorbeelden, nota bene uit westerse democratieën.

 

Het zelfcorrectemechanisme

Hoe kan het dat deze democratieën zo kwetsbaar lijken? Omdat de democratische rechten in deze landen tegen de democratie zelf ingezet kunnen worden, volgens Rijpkema. Om te kunnen tegengaan dat een democratie zichzelf vernietigd, heeft Rijpkema de idee van een weerbare democratie verder uitgewerkt. In de jaren 30 van de vorige eeuw sprak staatsrechtsgeleerde George van den Bergh over het zelfcorrigerende vermogen van de democratie. Rijpkema bouwt hierop voort. Hij ontwikkelt een theorie waarin het zelfcorrigerende vermogen – de mogelijkheid om besluiten terug te draaien – centraal staat: democratie als zelfcorrectie. En die zelfcorrectiemogelijkheid is dan vooral: het kunnen verbieden van antidemocratische partijen.

Wanneer komt de democratie in gevaar? Wanneer wordt de democratie zo ernstig aangetast dat er van betekenisvolle zelfcorrectie geen sprake meer is? Het democratisch zelfcorrectiemechanisme wordt gedragen door 3 principes:
1. Het beginsel van evaluatie: de mogelijkheid dat politici kritisch gevold kunnen worden, o.a. door persvrijheid;
2. De politieke concurrentie, d.m.v. (passief) kiesrecht en vrijheid van vereniging;
3. Vrijheid van meningsuiting, o.a. de mogelijkheid met andere ideeën te kunnen komen.

Als deze drie principes gewaarborgd zijn, blijft zelfcorrectie mogelijk. Ook als er vreselijke besluiten genomen worden: vier jaar later kan je anderen kiezen om die besluiten weer terug te draaien.

Antidemocratische meningen kunnen gewoon worden geuit, maar zodra antidemocraten zich gaan groeperen moeten deze groeperingen kunnen worden verboden, om te voorkomen dat zij een bedreiging gaan vormen voor de democratie. Maar in een weerbare democratie gebeurt dit allemaal wel in de openbaarheid. Het moet een transparant proces zijn.

 

Kan de democratie worden afgeschaft?

Na deze inleiding van Bastiaan Rijpkema komen er veel vragen uit de zaal.
“Heeft het volk toch niet het recht om bij meerderheid de democratie omver te werpen? Er bestaat toch volkssoevereiniteit?” Het antwoord van Rijpkema op deze vraag is dat democratie méér is dan alleen ‘de meerderheid beslist’. De democratie heeft waarden in zich die beschermd moeten worden. Als het meerderheidsbesluit van het omverwerpen van de democratie geen correctiemogelijkheid bevat (dus geen vrije pers, vrije mening, nieuwe verkiezingen en onafhankelijke rechtspraak), dan is dat besluit onomkeerbaar. Daartegen moet de democratie beschermd worden. Dus alleen als laatste redmiddel is de zelfcorrectie noodzakelijk.

“Wat als een partij zich op een normaal programma laat kiezen, de absolute meerderheid haalt en vervolgens de democratie afschaft?”  Als je een partij tijdens de campagne goed volgt op wat ze zeggen over vrije meningsuiting, verkiezingstermijnen en politieke concurrentie levert dat genuanceerde informatie over hoe ze echt denken. Vervolgens is de kans heel klein dat alle op die partij gekozen volksvertegenwoordigers zich zullen neerleggen bij een complete verandering van de partijstandpunten. Ze zijn immers gekozen op andere opvattingen. Dus de kans is klein dat iets dergelijks gaat gebeuren.

“Wat doe je met partijen die geen leden kennen?”. In de Duitse grondwet staat dat politieke partijen democratisch georganiseerd moeten zijn. Dus in Duitsland kunnen partijen die geen leden hebben niet deelnemen aan verkiezingen. Als in Nederland een leden-loze partij aan de macht zou komen, moet je ze toch kunnen afrekenen op hun doelen in plaats van op de manier waarop ze georganiseerd zijn.

“Wie bepaalt nu wie democraat en wie antidemocraat is? Wie moet wie controleren? Mensen weten niet wat democratisch burgerschap inhoud.” Rijpkema: Daarom is het zo goed dat er organisaties zoals ProDemos zijn. Zij houden zich bezig met mensen opvoeden in de democratische principes. Een belangrijke grondlegger uit de 30-er jaren van democratische weerbaarheid is de Duitse filosoof en politicoloog Karl Loewenstein. Hij deed onderzoek naar wat de beslissende factor is voor het daadwerkelijk omverwerpen van een democratie. Zijn conclusie is dat landen met een lange democratische traditie, en dus inwoners die bekend zijn met de democratische waarden, uiteindelijk minder snel omvallen.

Op de vraag of er in Nederland tegen de tijd dat de islam de grootste godsdienst is, op democratische wijze besloten kan worden de sharia in te voeren, antwoordt Rijpkema dat hier sprake is van hetzelfde mechanisme. Een fundamentalistische partij zal op basis van antidemocratische beginselen verboden kunnen worden. De sharia is onverenigbaar met de democratische rechtsstaat. Daarnaast gelden ook verdragen waar besluiten door het Europese Hof aan getoetst moeten worden. Die zullen zeker een dergelijk besluit verwerpen (net zoals het hof de Refah-partij in Turkije heeft verboden).

 

Verdedigingslinies van de democratie

“Voldoet een democratische rechtsstaat aan alle drie de criteria of kunnen partijen al bij het niet voldoen aan één van de drie criteria worden verboden?”
Antwoord: bij het verbieden van de vrije pers (Hongarije) zit je dicht tegen de gevarenzone aan. Dan kom je in de buurt van ingrijpen. Ook de PVV schuurt dicht tegen de criteria aan. Maar zolang de politieke rechten van mensen nog niet zijn aangetast, kom je nog niet aan het principe van zelfcorrectie. Er is wel sprake van anti-rechtsstatelijkheid. De democratie heeft drie verdedigingslinies:
1. De democratie zelf (verkiezingen; antidemocratische partijen niet kiezen)
2. De rechtsstatelijkheid (besluiten en opvattingen van partijen voor de rechter brengen)
3. Het verbieden van partijen.

En de laatste vraag –met het oog op de tijd- luidde: “Als partijen nu democratisch besluiten tot het opheffen van Nederland en op te gaan in een Europese eenheidsstaat, kan dat?” Volgens Rijpkema kan dat democratisch zijn als het een herroepelijk besluit is. Dus als er in de verdragen van die Europese eenheidsstaat geregeld is dat partijen weer kunnen besluiten eruit te gaan, dan is het een democratisch besluit.

Hoewel en nog veel vragen waren, moest de avond worden afgesloten. Martijn Polak dankte de spreker voor zijn heldere betoog en antwoorden op de vele vragen.

Dit college was onderdeel van de collegereeks “Democratie zonder rechtsstaat: hoe gevaarlijk is dat?”, over de spanning tussen de democratie en de rechtsstaat.